De wetten van Connie Palmen (1001 boek)

Studente filosofie neemt lessen in mansplaining en wordt zelf gek? Hoe een onschuldig catholiek meisje uit de provincie de kunst van het leven bij mannen zoekt in de hoofdstad en het hoge noorden en uiteindelijk leert zelf de touwen in handen te nemen, maar kan het niet aan? Het debut van Connie Palmen is een en al raadsel voor mij, maar geleidelijk aan begin ik een aantal dingen te begrijpen. Hoe dit feministisch is, bijvoorbeeld. En hoe een deel ervan afgeleid is van het middeleeuws verhaal van Moenen en Mariken.

 

Ik had moeite met dit boek. Tegen het eind zegt de vertelster het zelf, “Het is te veel, te veel thema’s, te veel motieven, te veel meesters, te veel talen, onaffe verhalen, tegenstrijdigheden, van alles te veel.” (p.174)

Zonder ironie (of wel?) laat ze de hoofdpersoon over de boeken van Thomas Mann zeggen:

“Hij wil volgens mij alleen laten zien dat hij veel boeken gelezen heeft en ook nog in staat is zelf iets te doen met al die filosofieën en theorieën.” (p.56) Pretentieus dus. Het geldt ook voor De wetten.

7 mannen, 7 wijsheden?

De vertelster van De wetten is een studente filosofie in de jaren 80, zoekend naar richtlijnen voor het leven. Behalve erover te lezen trekt ze lessen uit de mensen die ze tegenkomt. Toevallig (of niet) zijn het allemaal mannen, alhoewel ze natuurlijk ook een paar vrouwen tegenkomt. Ieder van de zeven mannen in dit verhaal (en nog een paar die tussendoor genoemd worden) staan voor een verschillende levensfilosofie en wijsheid. Er zijn verschillen in leeftijd (er is maar één die jonger is dan onze hoofdpersoon) maar allemaal hebben ze zwaktes, vaak fysische mankementen. Het verhaal van haar relaties met de mannen wordt een sort raamvertelling.

Op zoek naar de wetten van een gelukkig leven

“Toen ik nog maar weinig boeken gelezen had onthield ik met het grootste gemak de wetten voor iedere vorm van goed gedrag, het correcte optreden, de juiste handelswijze. Zonder wetten wist ik me geen raad. De anderen ook niet, dacht ik nog. De moeilijkheden doken op toen ik meer boeken ging lezen en ontdekte dat er over hetzelfde onderwerp meerdere en ook verschillende wetten bestonden. Ronduit tragisch werd het, toen ik in de gaten kreeg dat de anderen weliswaar wetten in hun hoofd hadden, maar zelden of nooit boeken lazen.” (p.25)

De ik-figuur probeert een eigen filosofie op te bouwen maar verliest zichzelf erin. Zoals ze zei, de astroloog “bracht me altijd op nieuwe ideeën, legde verbanden waar ik zelf niet zo gauw op kwam en haalde al zijn beeldmateriaal bij de goden en godinnen, die ik op mijn beurt weer geschikt vond om ze te verbinden met iets waarin ik mij op dat moment verdiepte. Mythen kun je op geen betere manier leren kennen dan door iemand voor wie ze nog een levend onderdeel vormen van de werkelijkheid.
“Zo kregen langzamerhand ook de mensen waar ik voor langere of kortere tijd mee omging het karakter van een personage in de altijd zo eigenaardige verhalen van de astroloog.” (p.32) Ze maakt dus een eigen mythologie, een eigen sterrenhemel.

I. De astroloog

De astroloog wint vrouwen over door hun sterrenbeeld te raden en, vreemd genoeg vinden ze dat genoeg om zijn onaantrekkelijkheid te overbruggen. Dat trucje heeft hij nodig omdat hij afstotelijk is: “Samen met zijn lichaam kwam ook een compacte geur mijn richting uit, de geur van een stoffig, uitgedroogde kadaver.” (p.12) De astroloog kramt een hoop onzin uit. “Als je Hermes in het huis van het geheim hebt staan en dus in het huis waar je jezelf het meest verbergt en eenzaam bent, zou het kunnen zijn dat je ook je ontdekkingen en je kennis niet direct aan mensen kunt overbrengen. Voor de meeste mensen is het twaalfde huis een akelig huis, maar wat voor de een angstaanjagend is kan voor een schrijver onontbeerlijk zijn.” (p.18)

Filosoferen over het schrijven

De vertelster legt het moeilijk uit. “Je zit stil en schrijft, je schrijft alles naar waarheid op, leest de zinnen over en ontdekt tot je grote ontzetting dat de waarheid geschreven staat alsof het een leugen is, erger dan de leugens van alledag en bovendien nog lelijk ook. Daarom schrijven heel veel mensen, maar worden weinig mensen schrijver.” (pp.19-20) Maar, “Als je zonodig schrijver wilt zijn moet je boeken schrijven, daar komt het op neer.” (p.23)

De astroloog had tekens nodig om zijn leven te leiden, de schrijfster maakt zelf iets zinnigs van wat er op haar pad komt. Ze maakt orde in de chaos.

De astroloog is geobsedeerd met Van Gogh, maar het is een antipathie. Hij gaat graag naar de plekken waar Van Gogh heeft gewoond, daarom Arles. Maar waarom niet Nuenen? Van Gogh heeft zelfs een tijdje in Londen en Ramsgate gewoond. Ik wist niet eens dat hij in Ramsgate gewoond heeft en dat verbaast me; ik ben er zelf geboren en ging daar naar de middelbare school en toch heb ik dit nooit eerder gehoord.

II. De epilepticus

“Openbare gebouwen kunnen aan de buitenkant de geschiedenis vasthouden, als ze in gebruik blijven zal de binnenkant de kleur aannemen van het heden. […] In ieder geval weet iedere eeuw zich weer opnieuw listig te nestelen in de plooien van hun kleren, in de choreografie van hun gebaren, in de klankkleuren van hun woorden en in de dramatiek van hun emoties.” (p.38)

III. De filosoof

In dit hoofdstuk volgt de hoofdfiguur colleges bij de charismatische De Waeterlinck, op aanraden van de epilepticus. In het begin vindt ze hem onweerstaanbaar omdat ze op oudere mannen met een bepaalde uitstraling valt, maar als ze echt dichterbij komt (letterlijk), valt hij haar tegen.

“Ik was verslingerd aan Foucault” (p.81) zegt de vertelster, een woordgrapje over de filosoof Foucault en de slinger van Foucault, van de fysicus Léon Foucault.

“De persoonlijkheid was net zo’n grote mythe als de vrijheid van Mijnheer Sartre en omdat er niets was dat ik meer begeerde dan het hebben van een persoonlijkheid, luchtte het mij erg op op eens te denken dat zoiets misschien helemaal niet bestond en ik mij met andere zaken bezig kon gaan houden.” (p.82)

Onbekende woorden:
inhaligheid – hebzucht (Eng. greed, avarice, maar ik denk hier meer in de zin van ‘selfish’, d.w.z. egoïstisch).
fiducie – vertrouwen

Dit hoofdstuk eindigt met citaten, uiteraard in het Duits, van Kierkegaard en Kafka. Hoe pretentieus!

IV. De priester

Op zijn beurt geeft De Waeterlinck de hoofdpersoon een introductie tot de priester Clemens Brandt, wiens filosofische boeken ze graag leest. Hij blijkt een vervallen priester te zijn, tot haar ontsteltenis. Ze heeft zich voorbereid op een echte priester die niet in haar als vrouw geïnteresseerd is, maar niets is minder waar.

Moenen en Mariken, of een moderne Mariken van Nieumeghen

Ik heb een heel interessant artikel over dit deel van het boek gevonden, waarin gesteld wordt dat Marie hier dienstdoet als Mariken in het middeleeuws mirakelspel van Mariken van Nieumeghen, https://nl.wikipedia.org/wiki/Mariken_van_Nieumeghen terwijl de ex-priester de rol van de duivel speelt. In het verhaal noemt de duivel (Moenen) haar Emmeken (Em voor de priester) die net zo lelijk is als Moenen en belooft haar alle talen en de zeven vrije kunsten te leren (grammatica, dialectic/logica, retorica, aritmetica, geometria, musica en astronomia. Nu vraag ik me af of de 7 mannen elk een van de kunsten vertegenwoordigd. Blijkbaar wel volgens dit blogartikel van Sven de Vreese. Dit wordt in minder duidelijke woorden ook verteld op de site van dbnl.

Plagiaat of bewondering voor Cees Nooteboom?

De filosoof De Waeterlinck zegt tegen haar dat “Omdat je Brandt als schrijver bewondert dicht je hem een oorspronkelijkheid toe die je zelf niet bezit. Maar ook zijn boeken zijn weer uitwerkingen van wat een andere schrijver heeft laten liggen.” (p.98) Toen ik begon met mijn review van dit boek was het thema van plagiaat alweer actueel na een artikel in The Guardian over plagiaat plus een strip van Tom Gauld.

Het hoeft natuurlijk geen plagiaat te zijn; het kan ook een eerbetoon zijn. En zo kwam ik na het lezen erachter dat Connie Palmen in het Nederlands afgestudeerd is op een scriptie over het boek In Nederland van Cees Nooteboom. Ze heeft dus bijna 100% zeker veel van Nooteboom gelezen tot dan toe. Philip en de anderen van Nooteboom, zijn debutroman (net als De wetten) heeft ook catholieke, filosofische ideeën. Palmen heeft vast veel van hem overgenoment. Ze gebruiken vergelijkbare thema’s, net zoals Marie Deniet de ideeën van haar mannelijke vrienden absobeert. Zou haar ontmoeting met haar idool (in het boek De priesterfilosoof) op een ontmoeting met haar literair idool Cees Nooteboom gebaseerd kunnen zijn? Mw Palmen geniet ervan om haar boeken met dit soort puzzels en halfwaarheden vol te proppen. Ze noemt haar boeken ‘autobiofictie’. Ze worden ook als sleutelroman (roman à clef) beschreven, een romansoort dat makkelijker te bewerkstelligen is in Nederland waar de uitgeversbranche en schrijverswereld kleiner en hechter (ook venijniger misschien) is dan in grotere taalgebieden.

V. De fysicus

Dit hoofdstuk gaat over de vergelijking tussen de haast middeleeuwse astroloog en de modern ideeën van de fysicus over het heelal, terwijl ze zelf alletwee als kinderen haast hetzelfde meemaakten en samen speelden. Volgens deze man gebruiken fysici “toestellen, waarmee ze proeven deden om te bewijzen dat niets meer met volledige zekerheid te bewijzen valt.” (p.133) Dit hoofdstuk is eigenlijk meer een verklaring van hoe de astroloog zo gericht op signalen van buitenaf geworden is. Hier is Marie degene die actief verleidt; begint ze meer op een man te lijken?

VI. De kunstenaar

Alleen als haar scriptie af is noemt iemand (De Waeterlinck) haar naam voluit: Marie Deniet. “Het enige wat ik nog in het vooruitzicht had was de rituele afsluiting van het uitstel zelf.” (p.154)

“Je leeft in een voortdurend uitstel. Je praat over betekenissen, maar je stelt het geven van betekenis steeds uit. (…) Je verzamelt alleen maar mogelijkheden en al die mogelijkheden die nog gerealiseerd moeten worden, maken je onrustig en ongelukkig. Het wordt er steeds meer, steeds meer dingen en boeken. Ze liggen daar maar te wachten op jou en blijven waardeloos, zolang jij ze niet aanraakt.” (p.171)

Marie is echt verliefd op hem en wil hem redden, maar door te direct zijn problemen te verwoorden, jaagt ze hem weg. Je kunt wel te eerlijk zijn. Bovendien, alles wat ze tegen hem zegt geldt ook voor haarzelf. De kunstenaar is in een impasse geraakt met zijn werk; zij wil hem weer inspireren, maar – net als mannen vaak doen – ze komt met allerlei adviezen. Het wordt haar niet in dank afgenomen. ‘Mansplaining’ avant la lettre, maar dan omgekeerd.

VII. De psychiater

De vader van Daniël die de psychiater van Lucas Asbeek (de kunstenaar) is, wordt ook de psychiater van Marie. Het laatste hoofdstuk van het boek is veel te stream-of-consciousness voor mij. Misschien staat er in dat gedeelte de clou tot het gehele boek, maar ik heb het zelf niet kunnen ontdekken. Ik moet verder op internet gaan zoeken naar andere meningen, maar dat kan nooit de bedoeling zijn geweest; De wetten is voor het internettijdperk geschreven.

Processie

Hier heb ik een artikel over de processie in Sint Odilienberg gevonden.

Anoniem – het gebruik en ongebruik van namen

De astroloog heeft in het hoofdstuk over hem geen naam. De ik-persoon ook niet. Hierdoor kan ik niet loskomen van het idee dat ‘ik’ Connie Palmen zelf is. Als de astroloog in Frankrijk verblijft, schrijft hij haar aan als Monsieur Lune. Later blijkt hij Miel Van Eysden te heten. Ik weet niet waarom de fysicus Van met een hoofdletter schreef in zijn brief.

Bij de epilepticus weten we dat hij Daniël Daalmeyer heet, DD op de bel. Hij noemt haar Theresa; ik weet niet waarom. Hij is mooi, superintelligent, maar zij vindt hem niet aantrekkelijk omdat hij te jong is.

De filosoof heeft aanvankelijk alles wat haar wel aantrekt. Hij heeft een aantrekkelijke Vlaams tongval en hij heeft ‘de kop’; hij is haar type en ze valt op oudere mannen. Maar als ze letterlijk dichterbij komt, ziet ze fouten in zijn gezicht en gedrag. Ze kent zijn achternaam omdat Daniël hem aanbeval en vindt later zijn voornaam uit: Guido De Waeterlinck. Eerst wil ze een relatie met hem, maar eindigt toch dichterbij de groep oudere aanhangers, met name Lászlo Kovács. Ze leert ook de namen van de anderen: Aäron Mendes da Costa, Katharina Riwalski (rode haren) en de Duitse Ilda Müller. Lászlo distantieert zichzelf van haar door haar aan te spreken als ‘Scervusc kislany’, zoiets als ‘aardig meisje’, en noemt zichzelf ‘de bolond’, ‘oude dwaas’.

Ze wordt aan de priester voorgesteld door De Waeterlinck die als begeleider voor haar scriptie fungeert. Het is een schrijver die ze erg bewondert: Clemens Brandt, maar ze ontdekt net voor de ontmoeting dat hij ook priester is geweest. In zijn briefaanhef ontdekken we dat zij M. Deniet heet en bij hun ontmoeting noemt hij haar Em. Hij refereert aan ‘het stuk van mejuffrouw Em’ omdat zij nooit haar naam voluit geschreven heeft. En later noemt hij haar Emmeke, een verwijzing naar het verhaal van Moenen en Mariken.

“Psychologisch gezien is het een vreemd iets, een naamsverandering. Ik ben gedoopt als Petrus Hendrikus en werd thuis Piet genoemd. Als jezuïet heb ik ten slotte de naam Clemens aangenomen. Ik had zelf voor Gabriël geopteerd, maar die naam was al vergeven.” (p.100) Het is dan vreemd dat hij haar vraagt een andere naam te accepteren. Hij is lelijk en misvormd maar heeft een mooie stem waar ze wel op valt.

De fysicus kent Marie al uit de verhalen van de astroloog, maar alleen als monsieur Lune. Hij heet Hugo Morland met een vrouw Sybille die ook fysicus is; het stel heeft daardoor de bijnaam ‘de Curies’.

De kunstenaar, Lucas Asbeek “Hij heeft het gezicht in de meest volmaakte vorm.” “Een goed kunstwerk is een kunstwerk dat de waarheid raakt en de waarheid kun je nooit op de conto van een persoon zetten, daar hangt geen naamkaartje aan. Volgens Lucas Asbeek zou alle kunst net zo anoniem als de waarheid moeten zijn.” (p.149)

Connie Palmen legt dit advies dus ook naast zich neer omdat ze zo vaak sleutelromans en ‘autobiofictie’ schrijft.

In een artikel uit Vrij Nederland vertelt Connie Palmen veel over haar ideeën over schrijven, inclusief een stuk over De wetten. Deze citaat over literaire genres vond ik erg interessant:

“Wat ze in de literatuur en in de wetenschap een genre noemen, dat is eigenlijk het geslacht van een tekst. Ze schrijven daarmee voor hoe een tekst zich moet gedragen, alsof ze een lot en een lichaam zou hebben en zou moeten gehoorzamen aan onveranderlijke natuurwetten. Dat hoeft ze niet.

Genres kun je veranderen door eens andere teksten te schrijven. En om die mogelijkheid gaat het mij.”

Mijn gevoelens over De wetten

Persoonlijk vond ik De wetten een ingewikkeld boek. Er zitten niet zoveel kronkels in de taal, maar Connie Palmen gaat langdradig vertellen over de verschillende mannen en ik vroeg me steeds af, waar gaat dit over? Ik heb nooit filosofie gestudeerd (niet aan mij besteed) en denk steeds, mis ik hier iets? Speelt elke man de rol van een bepaalde filosofische stroming? Ze heeft een socratische dialoog met de kunstenaar, geloof ik, maar verder kom ik niet.

Het is het soort boek waar ik de neiging heb de reviews van anderen te lezen terwijl ik nog aan het lezen ben, en dat is nooit een goede teken. Zo heb ik iets opgepikt dat het hoofdstuk met de priester, Clemens Brandt, een toespeling is op Mariken van Nijmegen, maar ik ken het verhaal niet goed genoeg om dat er zelf uit te halen. Kortom, het is alsof Connie Palmen aan het opscheppen is over hoeveel ze van Filosofie en Literatuur weet juist om me dom te laten voelen. En ik ‘moest’ het (van mezelf) uitlezen omdat het op de 1001 boekenlijst staat en ik wil begrijpen waarom het daar staat, maar ik denk dat ik er toch niet achtergekomen bent. Misschien is het in de lijst puur en simpel omdat het uit een bepaalde tijd komt, met een vrouwelijke auteur, het is niet al te lang en ook nog (geloof ik) in het Engels beschikbaar.

Misschien kan deze review in het Engels mijn vragen beantwoorden.